Uit Duits onderzoek blijkt dat vitamine C het serum-urinezuur verlaagt, terwijl een flavonoïde uit sinaasappel, hesperidine, daarin niet slaagt. De test werd gedaan bij veertig volwassenen met verhoogd serum-urinezuur, dat een risicofactor voor jicht en ook een cardiovasculaire risicofactor is. Het vitamine C-effect was sterker bij deelnemers met een hogere serumwaarde voor urinezuur.
Ongeveer 20% van de volwassenen heeft een verhoogd urinezuurniveau, meestal zonder verschijnselen van jicht. Hesperidine, een citrusflavanol, remt in vitro xanthine-oxidase, het enzym dat urinezuur produceert als afvalstof van het metabolisme. Klinisch blijkt daar weinig van terecht te komen. Afbraakproducten van hesperidine in een dosis van 240 mg per dag verschenen in de urine, een teken dat het flavanol opgenomen werd. Maar zonder het serum-urinezuur te beïnvloeden.
Van vitamine C werd verwacht dat het de afdrijving van urinezuur in de nieren zou verhogen. Ook dat blijkt niet te kloppen, want de onderzoekers konden geen urinezuurverhoging in de urine aantonen dankzij vitamine C, wél een afname in het serum. Serum-urinezuur was bovendien (invers) gecorreleerd met plasma-vitamine C. Hoe vitamine C het urinezuurniveau precies verlaagt, is nog onduidelijk.
Interessant is dat de opname van 200 mg vitamine C compleet was, pas bij hogere doses konden de darmen niet alles meer opnemen. De insulinegevoeligheid leek ook iets te vertellen over de relatie tussen plasma-vitamine C en serum-urinezuur. Hoe hoger de HOMA-index, hoe lager het vitamine C-niveau en hoe hoger dat van urinezuur.
Gemiddeld verlaagt vitamine C het urinezuurniveau met 0,5 mg/dl en voor de onderzoekers is dat voldoende om suppletie aan te bevelen voor diegenen met een verhoogde serumwaarde voor urinezuur, en in het bijzonder wanneer het vitamine C-niveau aan de lage kant is.
Enderle J, Dörner R, Tondar D et al. Effect of vitamin C and hesperidin on serum uric acid concentrations in healthy adults with high uric acid levels: the randomized controlled 'HesperidrinC trial'. Eur J Nutr. 2026; 65(2) doi:10.1007/s00394-026-03905-z