Australische onderzoekers vonden in een pilootstudie dat 800 mg of 1600 mg SAMe depressiesymptomen gevoelig vermindert bij 35 % van patiënten met majeure depressie. De 36 patiënten van deze studie hadden zonder veel succes al SSRI's uitgeprobeerd. Vervolgens testten de onderzoekers magnesiumorotaat (1600 mg) uit op patiënten die geen respons hadden met SAMe. Zeven patiënten van deze groep ondervonden verbetering, en één patiënt niet.
De studie was niet placebo-gecontroleerd, maar de onderzoekers hoopten dit te compenseren door uitvoerige depressietests te gebruiken en de studie 15 weken te laten duren. Ze wilden aantonen dat er bij depressie minstens twee grote mechanismen in het spel zijn.
SAMe is nodig voor de methylatie van heel wat stoffen, en is betrokken in het metabolisme van een aantal neurotransmitters (serotonine, monoamines). Studies rond SAMe en depressie zijn vaak ondermaats van kwaliteit, maar enkele tonen wel veelbelovende resultaten.
Onderzoekers vestigen ook de aandacht op uridine, dat vooral gekend is als een van de vier basen die de RNA-moleculen vormen. Daarnaast heeft uridine nog aparte functies, bv. het ondersteunt de productie van fosfatidylcholine dat belangrijk is voor de membranen van hersencellen. De onderzoekers sommen nog vele andere biochemische hersenprocessen op waarin uridine een rol speelt.
Orotaat is de precursor van uridine. Magnesium bevordert de absorptie en omzetting van orotaat. De onderzoekers speculeren dat orotaat op het microbioom van het spijsverteringsstelsel inspeelt. Orotinezuur wordt ook door de darmbacteriën geproduceerd en heeft ontstekingsremmende effecten, zo speculeren de onderzoekers. Ze denken in elk geval dat orotaat/orotinezuur via een alternatief mechanisme werkt en dat dysbiose in de darmen hoe dan ook aangepakt moet worden, bv. met probiotica.
Bambling M, Parham SC, Coulson S et al. S-adenosylmethionine (SAMe) and Magnesium Orotate as adjunctives to SSRIs in sub-optimal treatment response of depression in adults: A pilot study. Adv Integr Med. 2015 april; 2(1): 56–62