‘De mens lijdt aan existentiële gulzigheid’
‘De mens lijdt aan existentiële gulzigheid’
Jaap Seidell over een ongezonde voedselomgeving en verkeerde beslissingen

Vrijwel zijn gehele wetenschappelijke loopbaan heeft prof. dr. ir. Jaap Seidell zich ingezet om de ongezonde voedselomgeving in Nederland te verbeteren. Ruim een jaar geleden ging hij met pensioen. Zijn afscheidsrede werkte hij uit in het onlangs verschenen Grenzen aan de Gulzigheid, een boek dat geen lezer onberoerd zal laten. Het toont namelijk indringend aan wat schadelijke invloeden van commercie en falend overheidsbeleid teweegbrengen. Toch is het boek niet activistisch bedoeld. ‘Ik heb vooral mijn kennis, inzichten en ervaring willen samenbrengen en uitgelegd wat je daarmee kan’, aldus Jaap. Maar toch.

In de afgelopen tijd was hij regelmatig te horen op radio en te zien op tv om zijn boek toe te lichten. Gezien het grote bereik van deze programma’s zal dat hopelijk tot meer bewustwording bij het grote publiek leiden. Want onze voedselomgeving is al jaren de oorzaak van toenemende obesitas en vormt ook nog eens een regelrechte bedreiging voor de gezondheid van de jeugd. Tijdens zijn werkzame leven deed Jaap onderzoek, gaf onderwijs, begeleidde studenten en zette opleidingen op. Hij adviseerde nationale en internationale wetenschappelijke organisaties en de Nederlandse overheid. Daarnaast schreef hij diverse publicaties en maar liefst zes boeken. Ook in die tijd was hij regelmatig te horen en te zien op radio en tv.

Gretigheid

Het woord gulzigheid gebruikt hij in zijn boek in heel brede zin. Hij doelt daarmee niet alleen op eten, maar ook op onze omgang met tijd, prikkels en verlangen. Hij heeft het zelfs over ‘existentiële gulzigheid’: ‘Er is maar één diersoort op onze planeet die alles kapotmaakt en uitroeit zodra deze ergens komt, dat is de mens. Die destructie gaat over een gretigheid om te bezitten, macht uit te oefenen over anderen en de behoefte om meer te hebben dan iemand anders. Over een gulzigheid die geen grenzen kent in een soort struggle of life waarin de sterkste overwint. Totdat we begonnen met landbouw heeft de menselijke soort redelijk in harmonie met de natuur geleefd. Daarna hoefden veel mensen niet langer voedsel te verzamelen. Degenen die dat wel deden, kregen vervolgens macht, want de anderen waren afhankelijk geworden. Als vroeger een stad werd aangevallen, stopten de aanvallers de voedselbevoorrading. Dan gaf de stad zich vanzelf over. Voedsel is een machtsmiddel en van machtsmiddelen willen sommige mensen heel veel hebben. Een eigenschap die op de korte termijn gunstig kan uitpakken maar op de lange termijn het eigen voortbestaan ondergraaft. Het is een paradox. In een tijd van schaarste is gulzigheid een voordeel, want je kan gemakkelijker overleven in een moeilijke tijd. Omdat die gulzigheid zich ook uit in geld, is geld macht geworden in plaats van voedsel. We handelen nu in geld en creëren overvloed in plaats van schaarste.’

Trucs

‘Om mensen in tijden van overvloed aan te sporen tot consumptie van voeding die ze niet nodig hebben, moet je allerlei trucs uit de kast halen. Je maakt iets bijvoorbeeld goedkoop en aantrekkelijk, je optimaliseert het qua smaak, consistentie en gemak. Met veel marketing en beïnvloedingstechnieken lukt het je om mensen meer te laten eten dan ze eigenlijk zouden willen. De gulzige aanbieder maakt gebruik van de gulzigheid van de ontvanger. Niet in de vorm van voedsel maar van geld. Toch kan die gulzigheid niet blijven doorgaan, want eens is alles op. De titel van mijn afscheidsrede was Geld kun je niet eten. Toen Europeanen naar Canada kwamen, leefden daar al duizenden jaren indianen die jaagden en verbouwden. De Europeanen wilden alle dieren doodschieten en te gelde maken, de rivieren kanaliseren, de bomen omhakken en mijnen aanleggen om alles uit de bodem te halen wat ze nodig hadden. Uiteindelijk wilden ze ook nog het laatste land van die first nations canadians hebben. Die zeiden: als de laatste rivier vergiftigd is, de laatste boom omgehakt en de laatste dieren geschoten, dan zul je weten dat je geld niet kunt eten.’

Mars

‘Er is geen diersoort slimmer dan wij, want wij kunnen vooruit denken en de toekomst beïnvloeden. Tegelijkertijd nemen we enorm domme beslissingen en leven we daardoor inmiddels op een opwarmende planeet waar we een onleefbare plek van maken. In plaats van dat we besluiten de balans terug te brengen, ontstaan ideeën als de planeet Mars te gaan exploiteren. Het kost natuurlijk duizenden keren zoveel meer geld om een kolonie op Mars te stichten dan de orde te herstellen op onze eigen planeet.’

Voedingsstoffen

Jaap wil ook de ogen openen over hoe we als maatschappij met kinderen omgaan en tegen hun gezondheidsbelang in handelen. Als voorbeeld noemt hij de middagpauze op de lagere school. Jaap: ‘Die duurt een half uur. Daarin moeten de kinderen naar buiten, ze moeten bewegen, er moet iets educatiefs gebeuren want anders kunnen de leerkrachten niet worden doorbetaald, er moeten jasjes aan en weer uit en het is het moment om naar het toilet te gaan. Daarnaast moet er dan ook nog worden gegeten. Met een beetje gezond verstand zou je zeggen dat dit absoluut niet klopt. Maar toch doen we het zo. Laatst sprak ik iemand die zich heeft gespecialiseerd in voeding bij zwangerschap. Er is geen periode waarin voeding zó belangrijk is als tussen conceptie en geboorte. Dat gaat over jodium, vetzuren, foliumzuur, mineralen en andere belangrijke stoffen. Als we voedingsstoffen van ongeboren kinderen niet zoveel mogelijk optimaliseren, heeft dat voor hen de rest van hun leven blijvende negatieve effecten. Toch krijgt een aankomend verloskundige nauwelijks voedingsonderwijs. Ik vraag me af waarom niet. Ook consultatiebureaus zijn vooral gericht op signaleren van ernstige problemen.’

Broodtrommeltje

‘Eigenlijk weten we het allemaal wel. Maar de belangstelling ontbreekt om er wat aan te doen. Zowel bij politici als bij veel ouders. Commerciële belangen wegen bovendien zwaarder dan dat we de rechten van kinderen beschermen.’

In zijn boek pleit Jaap er ook voor om gezonde schoollunches te verstrekken. ‘In alle landen om ons heen gebeurt dat al jaren. Alleen in Nederland niet. Hoe komt dat? Wij eten hier uit een broodtrommeltje. Maar ik hoor wel eens van ouders dat hun kinderen uit school komen met een volle of halfvolle trommel omdat er geen tijd is geweest om te eten. En dan te bedenken dat gezonde schoollunches helemaal niet duur hoeven te zijn, dat je de fysieke en mentale gezondheid van de kinderen ermee verbetert, zeker als je ze combineert met bewegen. De schoolprestaties nemen toe en het pestgedrag neemt af. Maar de overheid vindt dat het toch geld kost en is niet van plan er iets aan te doen. Internationaal is er een kinderrechtenindex, de KidsRights Index. Daarin worden landen beoordeeld op hoe ze opkomen voor de rechten van kinderen. Nederland heeft ooit in de top vijf gestaan, maar glijdt als een razende naar beneden. We staan nu op de 23e plaats. Heeft dat ooit geleid tot ophef, tot Kamervragen? Nee.’

Ritme

Ook ritme is voor kinderen ontzettend belangrijk. ‘Maar wel een ander ritme dan we ze nu opleggen. Er is geen oog voor het bioritme van kinderen in de groei. Zo begint ’s ochtends de school te vroeg. We deden bijvoorbeeld onderzoek naar het slaapgedrag van kinderen. In Amsterdam blijkt 40 tot 60 procent van hen chronisch slaaptekort te hebben. Te laat naar bed en vroeg opstaan, mobieltjes op hun slaapkamer. Alle deskundigen zeggen dat dat verkeerd is, tóch laten we het gebeuren. Hoe beschermen we onze kinderen tegen digitale informatie? Nauwelijks, want ook dat krijgt geen prioriteit. Dan de suikertaks. Die heeft altijd al in het regeerakkoord gestaan en nu weer. Hetzelfde geldt voor het tegengaan van kindermarketing, dat stond in 2010 al in het regeerakkoord. Maar de nationale overheid doet er niets mee. De afgelopen vier, vijf kabinetten was ik adviseur van het Preventieakkoord en al de adviezen die ik in al die tijd heb gegeven, zijn niet overgenomen. Wel zie ik lichtpuntjes bij sommige lokale overheden. Ik werk met veel gemeenten waar ze echt wel willen en hun best doen. Lokaal gebeurt er veel, sommige supermarkten willen hun aanbod gezonder maken en er zijn scholen die wel een schoolmaaltijd willen organiseren.’

Reductionisme

Op de vraag hoe hij de rol ziet van zorgprofessionals als voedingsdeskundigen en artsen, antwoordt hij: ‘Het zou goed zijn als ze integraler gaan denken, dat ze geen onderscheid meer maken tussen mentale, fysieke gezondheid en het immuunsysteem. Ik heb veel in ziekenhuizen gewerkt, daar zijn allerlei afzonderlijke specialismen. Geneeskunde is ooit begonnen met integraal nadenken, nu gaat het om reductionisme. Dat zie je ook in de voedingswetenschappen. Wetenschappers gingen moleculair werken, hadden het niet meer over voedsel, maar over afzonderlijke voedingsstoffen. Een collega zei ooit tegen me dat gezondheid en voedingspatronen geen wetenschap kunnen zijn. Want, zo zei hij, wat is een mediterraan voedingspatroon? Zijn dat de polyfenolen, de vetzuren of de ezeltjes waarop mensen zich voortbewegen? Maar wetenschap gaat wél degelijk om interacties tussen voedingsstoffen en het geheel. Als we wegblijven van het reductionisme en holistisch gaan nadenken over gezondheid van mens en maatschappij, zou dat enorme winst opleveren. Als je niet kijkt naar oorzaken van stress, naar onzekerheid, naar gebrek aan kennis, tijd en vaardigheden, dan kun je eindeloos veel zorg gaan opbouwen, maar dat heeft niet zoveel zin. De zorg moet totaal anders.’

Omgekeerde piramide

‘Zo'n dertig jaar geleden had ik een keer overleg met toenmalige directeuren van zorgverzekeraars. Aan de hand van een eenvoudige tekening probeerden we in kaart te brengen op welk gebied de meeste zorgkosten zich bevonden en waar de gezondheidsproblemen. Die tekening werd een soort omgekeerde piramide bestaande uit een aantal balken die kostenposten vertegenwoordigden. De hele smalle balk onderaan symboliseerde preventie en maakte slechts één procent uit van het totaal. Aan gezond houden van mensen geven we praktisch geen geld uit. Daarboven kwamen balken met onder andere jeugdgezondheidszorg, huisartsenzorg. Bovenaan was er een hele grote balk van medisch specialistische zorg. Juist die is complex, duur en langdurig. Die directeuren bekeken het model en waren het er unaniem over eens dat je met een dergelijk systeem niet kan doorgaan. Vervolgens stelde ik voor om die piramide om te draaien. Wat als we ons zouden gaan richten op mensen gezond te houden en daarvan de basis te maken? Dat zou dan beginnen bij de conceptie en het gezond maken van de omgeving. Dan heb je nog steeds huisartsen, andere gezondheidszorg en die medisch specialistische zorg nodig, waaronder de complexe zorg rond het einde van het leven. Maar aan dat laatste hoef je dan niet al het geld uit te geven. Uiteindelijk worden mensen langer gezond en overlijden ze aan iets dat weinig zorg behoeft. Op dit moment besteden we 80% van het beschikbare geld aan zorg in het laatste levensjaar. Is dat een verstandige manier om te investeren in de gezondheid van mensen? Niet echt. Vandaar mijn aandacht voor het zorgsysteem zoals we dat nu kennen en in stand houden. Het loopt vast, het houdt verandering tegen. Dat moeten we doorbreken.’ 