Hygiëne: te veel van het goede?
Hygiëne: te veel van het goede?

Antibiotica, vaccinatie en hygiëne hebben sterfte door infectieziekten sterk kunnen herleiden. Kindersterfte door een infectie was vroeger niet ongebruikelijk, maar vandaag de dag komt dat bij ons nauwelijks nog voor. Een ontwikkeling die blijkbaar niet zonder nevenwerkingen gepaard gaat: wij, de geïndustrialiseerde landen, kennen een explosieve toename aan allergieën. Een vaststelling die een aantal onderzoekers in 1989 de hygiënehypothese deden formuleren.

Trefwoorden

De hygiënehypothese tracht de toename van inflammatoire aandoeningen te rijmen met veranderingen in de ‘opvoeding’ van het immuunsysteem, al dan niet veroorzaakt door de afwezigheid van infecties. Als dat het geval is – namelijk dat bepaalde infecties het immuunsysteem een betere opvoeding geven – dan betekent dit eigenlijk dat ons organisme afhankelijk is van infecties. Een stelling met vele medische en ethische consequenties.

Onze paleolithische voorouders waren en masse blootgesteld aan micro-organismen en minuscule bodemwormpjes, welke wij vandaag als ‘vuil’ bestempelen. Zelden zijn die organismen pathogeen, want ze maken geen schijn van kans in ons lichaam. Hoogstens gaat het om opportunisten, ze slaan toe wanneer de immuniteit verzwakt is.

Toen de mens landbouw begon te praktiseren, nam de interactie met micro-organismen van huisdieren toe. Virussen zoals de verwekker van mazelen en griep hoorden daarbij, maar pas recent zijn die virussen endemisch geworden, vanaf het ontstaan van de steden. Denk aan de zwarte pest die hele steden ontvolkte, het gevolg van samenhokken van mens, huisdier en rat.

Pas in de 19e eeuw is onze verhouding met micro-organismen gaan veranderen. Hygiëne werd een eenvoudige, maar verrassend effectieve ingreep om infecties te vermijden. Wassen was geen luxe meer, maar werd een leefregel. Later zijn we een groot deel van ons voedsel gaan steriliseren. Vele gebeurtenissen die het contact met micro-organismen verminderden. Bovendien komen we er pas op latere leeftijd mee in contact.

Verminderd contact zou nadelige consequenties hebben. Een vergelijking tussen de gemiddelde westerse darmflora en die van de bevolking van Burkina Faso toont sterke verschillen in bacteriële samenstelling. Onze darmflora is verarmd en produceert minder korteketenvetzuren, die een belangrijke voedingsbron zijn voor de darmcellen. Sommige onderzoekingen tonen probiotische effecten aan van parasitaire wormpjes bij muizen, zoals een verhoging van lactobacillen in de darmflora van muizen.

Dat is niet onlogisch. We werden blootgesteld aan grote hoeveelheden lichaamsvreemd materiaal, die niet noodzakelijk schadelijk was. Een te grote inflammatoire respons kan voor ons nadelig uitdraaien, vandaar dat die onschadelijke organismen mogelijkerwijs anti-inflammatoire schakelaars in het immuunsysteem aanzetten. Concreet zitten die schakelaars bij regulatorische dendritische cellen (immuuncellen die lichaamsvreemde fragmenten inzamelen) en regulatorische T-cellen (immuuncellen die antilichamen ertegen ontwikkelen). Dendritische cellen en T-cellen bepalen mee de richting van een immunologische reactie.

Een waarneming in Argentinië illustreert dit. Ms-patiënten (auto-immuunreactie tegen myeline) werden er bijna vijf jaar lang gevolgd. Diegenen die een parasitaire infectie opdeden – die overigens onbehandeld bleef – bleken minder opflakkeringen van multiple sclerose te hebben. Ook scheen de auto-immuunreactie onderdrukt te zijn. Onderzoekers hopen andere ziekten zoals crohn en glutenintolerantie op die manier beter te begrijpen.

Momenteel is het nog wachten op klinische studies om de toepasbaarheid van de hygiënehypothese te bewijzen. Een studie met de wormen Necator americanus en Trichuris suis zijn vervolledigd bij coeliakiepatiënten, al bleek die ingreep weinig verschil te maken.

De hygiënehypothese gaat niet alleen over micro-organismen, maar ook over levenloze stoffen, zoals arabinogalactanen in graspollen en niet-gepasteuriseerde melk, en over stress, voeding, zwaarlijvigheid enzovoort, allemaal elementen die de darmflora beïnvloeden. Sterke vermoedens bestaan er al dat bepaalde probiotica dit 'gebrek aan vuiligheid' kunnen compenseren. Ook hebben onderzoekers al probiotische effecten ontdekt van bepaalde bodembacteriën.

Voorlopig is het nog te vroeg om enige aanbevelingen te doen over opvoeding van kinderen en over 'aanbevolen hoeveelheden vuil'. We mogen niet vergeten dat onze samenleving nog vele andere veranderingen heeft meegemaakt. Onze vitamine D-waarden zijn sterk gedaald. De luchtvervuiling is gestegen. Onze voeding is verarmd. Dat zijn nog andere factoren die onze immuniteit ten nadele beïnvloed hebben ...

Referenties

Rook GAW. Hygiene and other early childhood influences on the subsequent function of the immune system. Dig Dis 2011;29:144–153