GGO-maïs veroorzaakt tumoren bij ratten
GGO-maïs veroorzaakt tumoren bij ratten

Onderzoekers van de universiteit van Caen, onder leiding van Gilles Eric Séralini en Joël Spiroux, voederden gedurende twee jaar ratten met GGO-maïs. De ratten kregen frequentere en grotere tumoren dan de ratten die gewone maïs kregen. Hun onderzoek leidde tot veel kritiek, maar kreeg vanuit totaal andere hoek ook steun.

Trefwoorden

Ze gebruikten GGO-maïs in drie porties: drie groepen van ratten kregen respectievelijk 11 %, 22 % en 33  % GGO-maïs als dieet, aangevuld met standaardrattenvoer. De controlegroep kreeg niet-transgene maïs en standaardrattenvoer. Dit experiment werd herhaald met GGO-maïs dat behandeld was met een pesticidenmengsel dat o.a. glyfosaat bevatte.

De onderzoekers zagen na twee jaar dat 20 % van de vrouwtjes en 30  % mannetjes in de controlegroep gestorven waren, terwijl in de GGO-groepen dat respectievelijk 70 % en 50 % was. Na 14 maanden toonde geen enkele controle-rat teken van tumorvorming, in de vrouwelijke GGO-groep was dat 20 à 30 %.

Omdat hun budget niet toeliet om meer dan 10 ratten in elke groep te nemen, verdiepten de Franse onderzoekers zich ook in de tumorgrootte in elke groep. Grote, tastbare tumoren kwamen bijna allemaal vaker voor in de GGO-behandelde groepen. Hun determinatie van de tumoren is erg gedetailleerd, ze maakten foto’s van de ratten die geëuthanaseerd moesten worden om uit hun lijden te verlossen.

Ook gaven ze drie groepen van ratten verschillende concentraties van RoundUp in hun drinkwater: in die groep kreeg 80  % van de dieren een tumor.

Kritiek

De studie van Séralini en Spiroux kreeg veel media-aandacht, maar ook veel kritiek. Het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB) publiceerde een wetenschappelijke analyse die tot het besluit komt dat de studie niet kan onderbouwen dat genetisch gewijzigde NK603-maïs schadelijk zou zijn voor de gezondheid. De auteurs van de analyse menen fundamentele gebreken in de studie te herkennen en betichten de auteurs van intellectuele oneerlijkheid, incompetentie en bevooroordeeldheid.

De grote zwakte van de studie zijn de kleine groepen van ratten (slechts tien ratten per behandelde groep). De onderzoekers stellen daartegenover dat het om genetische identieke ratten gaat (weinig variatie in het spel) en dat de onderzoekers de tumoren gedetailleerd zijn beschreven. Ze deden ook bijkomende weefsel- en bloedtesten. Cijfermatig stelt de studie weinig voor, maar kwalitatief worden enkele treffende waarnemingen gedaan. Waarnemingen die om meer onafhankelijk onderzoek vragen.

Volgens het VBI zijn de waargenomen trends ongeloofwaardig, omdat in de 33 %-GMO-groep minder tumoren voorkwamen dan in de 11 %-groep: ‘Séralini et al. gaan het heel ver in het zoeken van verklaringen van hun bevindingen.’ Voor Séralini en Spiroux zijn deze trends helemaal niet ongewoon, het komt vaker voor bij toxische stoffen die de hormoonhuishouding beïnvloeden. Roundup kan aromatase blokkeren waardoor meer oestrogenen gevormd worden. Dat verklaart waarom meer vrouwelijke ratten stierven en waarom borsttumoren het meest voorkomende type tumor was. Opvallend aan de toxiciteit van xeno-oestrogenen en oestrogeenverstoorders, is dat lage concentraties al voldoende toxisch kunnen zijn.

Séralini zou bevooroordeeld zijn omdat hij directeur is van CRIIGEN, een instituut dat ‘tegen biotechnologie’ is. De onderzoekers zijn bovendien geen oncologen. Spiroux liet zelf weten dat ze geheel niet tegen GGO’s zijn, wel tegen de manier waarop de veiligheid ervan geëvalueerd wordt.

Onafhankelijke wetenschappers voelen zich geïntimideerd

Op die manier worden Séralini et al. afgeschilderd als fanatiekelingen die op de emoties van de bevolking proberen te werken. Dat hoeft niet te verwonderen gezien de financiële belangen die rond heel het GGO-verhaal bestaan. Onderzoekers worden sterk onder druk gezet. Dat blijkt ook uit een commentaar geschreven door 10 onderzoekers en ondertekend door een 100-tal collega's. Onderzoekers zoals Sérallini worden het moeilijk gemaakt door georkestreerde campagnes, voorbeelden zijn Ignacio Chapela (Berkeley) en Arpad Pusztai (Aberdeen) en Carrasco (Buenos Aires). Onderzoekers die als misleidend, incompetent of leugenachtig afgeschilderd werden vanaf het moment dat ze kritische studies over GGO’s publiceerden. Er wordt vaker gesproken van de 'anti-GGO-lobby', terwijl de pro-GGO-lobby veel sterker is. Onafhankelijke wetenschappers krijgen daarom geen ademruimte.

Hoog tijd dus dat beleidsmakers ingrijpen, want in de huidige kapitalistische maatschappij trekken commerciële belangengroepen altijd aan het langste einde. De vraag of GGO’s de voedselbevoorrading zullen verhogen, kan maar beantwoord worden met onafhankelijk onderzoek. Voedselproblematiek kan hoe dan ook niet opgelost worden door alleen GGO's, die wordt veroorzaakt door een oneerlijk verdeling in de wereld.

Anders zijn de enige die eraan winnen, de GGO-producenten. Ondertussen blijven de gezondheidsrisico's onderbelicht en bestaat het risico dat de lokale landbouw in ontwikkelingslanden ontwrichten wordt.

Referenties

Séralini G-E, Clair E, Mesnage R et al. Long term toxicity of a Roundup herbicide and a Roundup-tolerant genetically modified maize. Food and Chemical Toxicology. 2012; 50:4221-4231

http://independentsciencenews.org/health/seralini-and-science-nk603-rat…

(geen auteur) Een wetenschappelijke analyse van de rattenstudie van Gilles-Eric Séralini et al. Vlaams Instituut voor Biotechnologie"