Voor hen die menen dat diagnoses van ADHD deels foutief zijn en tot overbodige of schadelijke behandelingen leiden, is er nu een wetenschappelijke onderbouwing. Die is gegeven in een zogeheten scoping review door wetenschappers uit Australië. Zij zochten in de Engelstalige literatuur naar antwoorden op vijf vragen naar overdiagnostiek en overbehandeling.
Over de periode 1979-2020 werden 334 studies gevonden waarin ADHD bij kinderen en adolescenten een centraal thema was. Uit 104 daarvan bleek een potentieel voor overdiagnostiek (vraag 1), bijvoorbeeld omdat onder meiden minder ADHD werd vastgesteld dan onder jongens terwijl er vergelijkbare symptomen waren. Het aantal feitelijke diagnoses nam toe, bleek uit 45 studies (vraag 2). Dan waren er 25 studies die lieten zien dat de extra diagnoses vooral zaten in het milde gedeelte van het ADHD-spectrum (vraag 3). Vervolgens was er, in 83 studies, sprake van een toename van farmacologische behandelingen bij de extra ADHD-diagnoses (vraag 4). Ten slotte waren er 151 studies waarin melding werd gemaakt van de uitkomsten van diagnose en behandeling (vraag 5).
Het belang van de laatste vraag ligt vooral in de mogelijkheid dat bij zowel diagnose als behandeling van de additionele en mildere gevallen de nadelen groter blijken dan de voordelen. Er waren maar vijf studies die daar expliciet een antwoord op gaven, maar deze gaven wel steun aan deze hypothese. Er is echter meer onderzoek nodig om dit voor de lange termijn te kunnen vaststellen.
Luise Kazda, een van de auteurs, wees er in een toelichting op dat sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw het aantal ADHD-diagnoses wereldwijd is toegenomen zonder een corresponderende toename in ADHD-symptomen: ‘So there hasn’t been this huge increase in all these children being now hyperactive or inattentive; that really remained very steady.’
Kazda L, Bell K, Thomas R, et al. Overdiagnosis of Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder in Children and Adolescents: A Systematic Scoping Review. JAMA Netw Open. 2021 Apr 1;4(4):e215335.