Autisme, een gevolg van industriële vergiffen
Autisme, een gevolg van industriële vergiffen

Philippe Grandjean en Philip Landrigan, beiden verbonden aan twee van de meest gerenommeerde universiteiten ter wereld, maken zich ernstige zorgen over de effecten van industriële chemicaliën op de ontwikkeling van onze kinderen. Neurologische ontwikkelingsstoornissen komen naar schatting bij 10 - 15 % van alle geboortes voor, en dan zijn subklinische afwijkingen aan de hersenen niet eens meegerekend. Genetische factoren kunnen de 'pandemische toename' van ontwikkelingsstoornissen niet verklaren, wel is het onverantwoord gebruik van industriële chemicaliën een grote oorzaak.

De hersenen in ontwikkeling van de foetus zijn extreem gevoelig voor giftige chemicaliën. Permanente schade kan optreden bij concentraties die bij volwassenen weinig effect hebben. De placenta vormt geen blokkade voor vreemde stoffen en de bloed-hersenbarrière geeft slechts gedeeltelijke bescherming.

Beide auteurs hadden al in 2006 vijf chemicaliën beschreven die stellig als 'neuro-ontwikkelingsvergif' beschouwd mogen worden: lood, methylkwik, arseen, tolueen en poly-gechlorineerde bifenyls. Daarnaast waren er al 202 stoffen bekend die neurotoxisch zijn voor volwassenen, zich baserend op beroepsgebonden blootstelling, vergiftigingsongelukken, zelfmoordpogingen enzovoort. In hun review in de Lancet Neurology voegen ze 14 nieuwe stoffen toe aan het lijstje, vnl. pesticiden. Gemiddeld identificeren wetenschappers dus twee stoffen per jaar die meer dan waarschijnlijk de ontwikkeling van kinderen benadelen.

Verder zijn er 1000 stoffen beschreven die volgens laboratorium- en dierproeven neurotoxisch zijn. Waarom worden deze effecten nu pas bekend gemaakt, terwijl sommige chemicaliën al decennia gebruikt worden? Ten eerste waren gesofisticeerde bevolkingsstudies nodig, die het idee 'lage concentraties zijn veilig' moesten ontkrachten. Het medische etablissement heeft bovendien de neiging om eerste meldingen van subklinische toxiciteit te negeren. Industriële belangen zijn te groot, de markt is te sterk.

Het einde is nog niet in zicht, want een studie beperkt zich meestal tot één stof. De effecten van afzonderlijke stoffen kunnen zeer subtiel zijn, gecombineerd kunnen ze enorme consequenties hebben. Bevolkingsstudies en bloed- en urineanalyses moeten nog een stuk nauwkeuriger gebeuren. Sommige chemicaliën, zoals ftalaten en bisfenol A, worden snel verwijderd naar de urine, wat een schatting van hun blootstelling bemoeilijkt. Het leidt meestal tot een onderschatting van de toxische effecten.

"The presumption that new chemicals and technologies are safe until proven otherwise is a fundamental problem."

De twee onderzoekers pleiten voor een radicale verandering van de regulatie van chemicaliën. Industriële chemicaliën worden in onze samenleving geïntroduceerd nog voordat enige behoorlijke veiligheidsstudies zijn gebeurd. Veiligheidsstudies op ontwikkelingstoxiciteit zijn vrijwel afwezig! Regelgevende instanties eisen bovendien dat bovenmatig veel wetenschappelijke bewijsmateriaal op tafel wordt gelegd vooraleer er regulatorisch ingegrepen wordt.

'Chemicaliën zijn veilig totdat het tegendeel bewezen is' is een gevaarlijke aanname waar we vanaf moeten. Het vinden van bewijsmateriaal duurt veel te lang. Academische onderzoekers hebben een te sceptische houding en willen studies altijd 'repliceren'.

De overheid moet ingrijpen en niet alles aan de markt overlaten. Verwachten dat de markt zich vrijwillig gaat aanpassen is een erg naïeve gedachte. De regelgeving van chemicaliën moet daarom op drie principes gebaseerd zijn:

1. De reeds bestaande industriële chemicaliën en pesticiden moeten met de nieuwste technologieën getest worden, in eerste instantie de chemicaliën die het meest verspreid zijn.

2. De overheid moet het mandaat krijgen om nieuwe chemicaliën te evalueren nog voordat ze op de markt gebracht worden.

3. Speciaal voor ontwikkelingsstoornissen moet een nieuw agency opgericht worden, die de nadruk op preventie legt en voor wie het absolute bewijs van neurotoxiciteit geen noodzaak is om actie te ondernemen.

Tot slot zal elke burger zich moeten aanpassen. Tot de groep van ontwikkelingsvergiffen behoren ook alcohol en tabak, additieven in cosmetica en stoffen in uitlaatgassen. Willen we de gezondheid van onze kinderen niet in het gedrang brengen en een halt toeroepen aan de 'industrial epidemics', moeten we ook meer afstand doen van de geïndustrialiseerde maatschappij.

Referenties

Philippe Grandjean, Philip J Landrigan. Neurobehavioural effects of developmental toxicity. Lancet Neurol 2014; 13: 330–38