Ultrabewerkte voeding (Ultra Processed Food, UPF) is in korte tijd uitgegroeid van een relatief klein deel van het voedingspatroon tot een dominante component van de westerse voeding. In Nederland is UPF goed voor circa 61% van de dagelijkse energie-inname, terwijl deze producten slechts 29% van het totale voedingsvolume uitmaken. Onder kinderen en adolescenten kan dit oplopen tot ongeveer 75% van de totale energie-inname. Het gaat daarbij niet alleen om frisdrank, koek en snacks, maar ook om alledaagse producten zoals ontbijtgranen, gezoete zuivel, vleeswaren, kant-en-klaarmaaltijden, sauzen en fabrieksbrood. Deze producten zijn gemiddeld circa 40% goedkoper dan onbewerkte alternatieven, breed beschikbaar en ontworpen voor maximale consumptie. Daarmee is UPF voor veel mensen de norm geworden.1
Deze verschuiving heeft implicaties voor de metabole gezondheid, die berust op een nauw gereguleerde balans tussen glucose- en vetstofwisseling, energiehuishouding en de regulatie van laaggradige inflammatie. Een hoge consumptie van UPF wordt in prospectieve cohortstudies en meta-analyses consistent in verband gebracht met onder meer insulineresistentie, diabetes type 2, obesitas, metabool syndroom, leververvetting en cardiovasculaire aandoeningen. Hoewel de ongunstige samenstelling van deze producten - rijk aan geraffineerde koolhydraten, vet en zout en arm aan vezels, eiwitten en micronutriënten - hierin een belangrijke rol speelt, is dat slechts een deel van het verhaal. Ook de industriële bewerking zelf draagt bij. Deze beïnvloedt onder meer de voedselmatrix, verhoogt de energiedichtheid en smakelijkheid (hyperpalatabiliteit) en gaat gepaard met de toevoeging van additieven. Hierdoor worden meerdere onderling verbonden regulatiesystemen tegelijkertijd beïnvloed, waaronder de glucoseregulatie, de darmfunctie, inflammatoire processen en de controle van eetgedrag.2,3
Ultrabewerkt: groep 4
De mate van voedselbewerking wordt doorgaans geclassificeerd volgens het internationale NOVA-systeem, dat voedingsmiddelen indeelt in vier groepen op basis van de aard en het doel van de bewerking. Groep 1 omvat onbewerkte of minimaal bewerkte producten zoals groenten, fruit, eieren, vis en peulvruchten. Groep 2 bestaat uit culinaire ingrediënten die direct uit de natuur worden gewonnen, zoals olijfolie, boter, zout en honing. Groep 3 omvat traditioneel bewerkte producten, opgebouwd uit herkenbare voedingsmiddelen (combinaties van groep 1 en 2), zoals kaas, ingeblikt fruit en zuurdesembrood. Bewerking dient hier vooral om smaak en houdbaarheid te verbeteren.
Groep 4, ultrabewerkte voeding (UPF), onderscheidt zich doordat deze producten nauwelijks nog uit hele voedingsingrediënten bestaan, maar zijn opgebouwd uit geraffineerde fragmenten zoals zetmeelhydrolysaten, geïsoleerde eiwitten en gemodificeerde vetten, aangevuld met additieven zoals emulgatoren, stabilisatoren, kunstmatige zoetstoffen, kleurstoffen, smaakversterkers en conserveermiddelen. Voorbeelden zijn frisdranken, verpakte snacks, kant-en-klaarmaaltijden, gezoete zuivelproducten, bewerkte vleeswaren en industrieel brood. Kenmerkend is niet alleen de samenstelling, maar ook een verstoorde voedselmatrix, die bepaalt hoe nutriënten worden verwerkt en verteerd in het lichaam.2,3
Nuance bij de NOVA-classificatie
Hoewel de NOVA-classificatie een bruikbaar kader biedt, is nuance op zijn plaats. Het systeem baseert zich primair op de mate van bewerking en additieven en houdt minder rekening met de nutritionele kwaliteit van een product. Daardoor kunnen voedingsmiddelen met een gunstige samenstelling toch als (ultra)bewerkt worden geclassificeerd. Zo kan volkorenbrood, afhankelijk van de aanwezigheid van additieven, verschuiven van groep 3 naar groep 4, terwijl de voedingswaarde grotendeels behouden blijft. Ook kant-en-klaarmaaltijden worden binnen de NOVA-classificatie vaak als sterk bewerkt aangemerkt, terwijl ze in de praktijk kunnen bestaan uit herkenbare ingrediënten met nutritionele waarde. Dit artikel richt zich daarom primair op een specifieke subcategorie binnen groep 4: industriële producten met een hoge energiedichtheid, een lage nutritionele waarde en een sterk gemodificeerde voedselmatrix, die ontworpen zijn voor overconsumptie. Deze subgroep lijkt het sterkst bij te dragen aan metabole ontregeling.2,3
Graanproducten
Een praktische aanvulling is hier op zijn plaats voor supermarktbrood en vergelijkbare graanproducten die in Nederland bijna dagelijks worden geconsumeerd. Over deze producten bestaat veel discussie, vooral over de vraag in hoeverre ze als gezond kunnen worden beschouwd. Voor de praktijk is het daarom belangrijk om verder te kijken dan de productcategorie. Het onderscheid zit in de ingrediëntenlijst. Brood op basis van meel, water, gist of zuurdesem en zout valt doorgaans in groep 3. Ingrediënten zoals geïsoleerde componenten (bijvoorbeeld eiwit-isolaten), geraffineerde suikers en zetmelen (zoals maltodextrine of glucosestroop) en technologische additieven (zoals emulgatoren en stabilisatoren) wijzen daarentegen op een hogere mate van bewerking en categorie 4. Precies deze toevoegingen en de daarmee veranderde voedselmatrix lijken bepalend voor de metabole respons. De Nutri-Score biedt hierin slechts beperkt houvast, omdat deze geen rekening houdt met bewerkingsgraad of voedselmatrix.4 Eenvoudiger is het om te kijken of een product bestaat uit herkenbare ingrediënten of uit bewerkte fracties en toevoegingen die in de normale keuken niet worden gebruikt.
Consumptie en bewijs
Deze nuance doet echter niets af aan de gezondheidsrisico’s van UPF in groep 4, die inmiddels breed zijn gedocumenteerd. Prospectieve cohortstudies en meta-analyses tonen consistente verbanden met diabetes type 2, obesitas en cardiovasculaire mortaliteit. Voor aandoeningen zoals hypertensie en abdominale obesitas zijn deze verbanden minder sterk, maar wel aanwezig. De omvang en consistentie van de data voldoen aan het merendeel van de Bradford Hill criteria (7 van de 9), wat erop wijst dat UPF niet alleen geassocieerd is met metabole ontregeling, maar hierin waarschijnlijk ook een causale rol speelt.3
Insulineresistentie en leververvetting
UPF verstoort de insulinesignalering via meerdere routes die elkaar versterken. De meest directe route loopt via de glycemische lading: geraffineerde koolhydraten en glucosestroop worden snel geabsorbeerd en leiden tot steile postprandiale glucosepieken. Elke piek gaat gepaard met een insulinerespons. Bij herhaalde blootstelling ontstaat een metabole situatie waarin de insulinegevoeligheid in spier- en leverweefsel afneemt.
Tegelijk stimuleert fructose de aanmaak van vet in de lever, zonder dat dit via de gebruikelijke insulineroutes wordt gereguleerd. Dit draagt bij aan intrahepatische vetopstapeling en vormt een belangrijke schakel in de ontwikkeling van leververvetting, voorheen aangeduid met niet-alcoholische leververvetting NAFLD) en tegenwoordig met Metabole-disfunctie geAssocieerde Steatotische Leverziekte (MASLD).
Op populatieniveau, in grootschalige cohortstudies met ruim zevenhonderdduizend deelnemers, wordt een hoge consumptie van UPF consistent geassocieerd met een verhoogd risico van 48% op diabetes type 2. Dit verband blijft bestaan na correctie voor factoren zoals lichaamsgewicht, energie-inname en algemene dieetkwaliteit, wat erop wijst dat het effect niet volledig te verklaren is door leefstijl alleen. Er is iets aan de voeding zelf dat ontregelt: vermoedelijk een combinatie van een verstoorde voedselmatrix die de absorptiesnelheid verhoogt, additieven die los van macronutriënten het microbioom en de insulinesignalering beïnvloeden en contaminanten die vrijkomen bij industriële bewerking.
Niet alle bewerkte producten hebben hetzelfde effect. Bewerkt vlees wordt vaak het sterkst geassocieerd met ongunstige metabole uitkomsten, terwijl voedingsmiddelen zoals volkorenproducten en gefermenteerde zuivel juist een omgekeerde associatie laten zien. Ook additieven dragen bij aan metabole ontregeling. In een grote Franse cohortstudie met ruim honderdduizend deelnemers werd een associatie gevonden tussen de emulgator carrageen (E407) en het risico op diabetes type 2, zelfs bij innames ruim onder de door de WHO vastgestelde veiligheidsgrens. Daarnaast worden consistente verbanden gezien tussen een hoge UPF-consumptie, insulineresistentie en het metabool syndroom, ongeacht de gebruikte onderzoeksmethodologie.5,6,7
Darmmicrobioom en barrièrefunctie
UPF beïnvloedt het darmmicrobioom met persistente metabole effecten. Het gebrek aan fermenteerbare vezels, in combinatie met additieven zoals emulgatoren, kunstmatige zoetstoffen en conserveermiddelen, vermindert de microbiële diversiteit en verschuift de bacteriële samenstelling. Dit gaat ten koste van soorten zoals Akkermansia muciniphila en Faecalibacterium prausnitzii. Beide gelden als belangrijke markers voor metabole gezondheid en spelen een rol in de darmbarrièrefunctie en ontstekingsregulatie. Akkermansia muciniphila ondersteunt de integriteit van de mucuslaag. Faecalibacterium prausnitzii produceert het korteketenvetzuur butyraat dat de tight junctions ondersteunt en, via remming van NF-κB, ontstekingsprocessen moduleert. Verlies van deze bacteriën gaat gepaard met een verminderde barrièrefunctie en een verhoogde gevoeligheid voor metabole ontregeling.
Additieven dragen hier waarschijnlijk actief aan bij. Emulgatoren zoals carboxymethylcellulose (CMC) en mono- en diglyceriden kunnen de mucuslaag verstoren. Ze bevorderen de interactie tussen bacteriën en het darmepitheel, wat leidt tot activatie van pro-inflammatoire signaalroutes. Kunstmatige zoetstoffen worden geassocieerd met veranderingen in microbiële activiteit en een verminderde productie van korteketenvetzuren. Dit ondermijnt de darmbarrière verder. Tegelijk gaan tijdens intensieve bewerking bioactieve plantenstoffen verloren en kan blootstelling aan verpakkingsgerelateerde stoffen toenemen. Dit vergroot de metabole belasting.
Een belangrijke consequentie van deze dysbiose is een verhoogde intestinale permeabiliteit. Hierdoor kunnen lipopolysacchariden uit gramnegatieve bacteriën de systemische circulatie bereiken. Via activatie van Toll-like receptor 4 (TLR4) stimuleren zij de productie van pro-inflammatoire cytokines, waaronder TNF-α, IL-6 en IL-1β. Deze metabole endotoxinemie draagt bij aan chronische laaggradige inflammatie en verstoort de insulinesignalering.
De gevolgen beperken zich niet tot de darm. Via de darm-lever-as kan dysbiose bijdragen aan hepatische inflammatie en steatose. Via de darm-hersen-as worden ook neuro-inflammatoire processen en stemmingsregulatie beïnvloed. Een hoge UPF-consumptie houdt zo verband met een verhoogd risico op depressieve klachten. Overkoepelend wijzen analyses erop dat meerdere klassen additieven, zoals emulgatoren, kunstmatige zoetstoffen, kleurstoffen en nano- en microdeeltjes, ieder afzonderlijk effecten laten zien op het microbioom, de intestinale permeabiliteit en intestinale inflammatie. De combinatie van deze stoffen, samen met chronische blootstelling, creëert een cumulatief risico dat het effect van afzonderlijke additieven overstijgt.8,9,10
Verstoorde verzadiging
Een van de meest consistente bevindingen bij een hoge UPF-consumptie is een toename van de energie-inname. Gemiddeld consumeren mensen circa 500 kilocalorieën per dag extra, zonder overeenkomstig verzadigingsgevoel. Dit hangt samen met het feit dat veel ultrabewerkte producten energierijk maar nutriëntarm zijn: zogenoemde ‘lege calorieën’ die weinig bijdragen aan verzadiging. Dit fenomeen van passief overeten berust op twee samenhangende mechanismen.
Het eerste mechanisme is fysiek van aard en hangt samen met textuur en eetsnelheid. Ultrabewerkte producten zijn doorgaans zacht en vereisen weinig kauwactiviteit. Kauwen fungeert echter als afferente stimulus voor de afgifte van verzadigingshormonen zoals GLP-1, peptide YY (PYY) en cholecystokinine. Minder kauwen gaat gepaard met een vertraagde of verminderde verzadigingsrespons. Dit vertaalt zich in een hogere eetsnelheid en een grotere energie-inname, ondanks een vergelijkbare macronutriëntensamenstelling. Daarbij worden lagere adiponectinespiegels en hogere leptinespiegels gezien, wat wijst op een verstoring van de hormonale regulatie van verzadiging.
Het tweede mechanisme betreft de neuro-endocriene regulatie van eetgedrag. Ultrabewerkte producten zijn geoptimaliseerd op smaak, mondgevoel en gebruiksgemak. Dit activeert het beloningssysteem en stimuleert de voedselinname. Tegelijk treden veranderingen op in zowel hedonische als homeostatische eetregulatie, mogelijk mede via de darm-hersen-as en verstoring van perifere verzadigingssignalen zoals GLP-1 en PYY. Het netto-effect is een ontregeling van de energiebalans, waarbij de energie-inname minder nauw wordt afgestemd op de fysiologische behoefte. Dit vormt een belangrijke schakel in de relatie tussen ultrabewerkte voeding en metabole ontregeling.11,12
Cardiovasculaire gevolgen
De hiervoor beschreven mechanismen - insulineresistentie, laaggradige inflammatie en een verstoorde vetstofwisseling, - vertalen zich op systeemniveau in een verhoogd cardiometabool risico. Op populatieniveau wordt een hogere UPF-consumptie, in grootschalige cohortstudies met in totaal meer dan tweehonderdduizend deelnemers en duizenden cardiovasculaire events, consistent geassocieerd met een verhoogd risico van 11% op hart- en vaatziekten en 16% op coronaire hartziekten. Deze verbanden blijven bestaan na correctie voor leefstijlfactoren, wat wijst op een onafhankelijke bijdrage van UPF. Een bredere meta-analyse vond in hetzelfde domein verhoogde risico's voor hypertensie (22%), obesitas (55%) en diabetes type 2 (40%).13,14
De praktijk
Een hoog aandeel UPF in het voedingspatroon is in de praktijk vaak goed herkenbaar, mits er gericht naar wordt gevraagd. Patronen zoals frequent gebruik van kant-en-klaarmaaltijden, bewerkte vleeswaren, gezoete zuivel en industrieel brood geven inzicht. Biochemische verstoringen zijn vaak al zichtbaar voordat klassieke markers afwijkend zijn. Nuchtere insuline en HOMA-IR zijn vroege markers voor insulineresistentie. Daarnaast kan een combinatie van verhoogde triglyceriden, verlaagd HDL, verhoogd hs-CRP en licht afwijkende leverenzymen wijzen op een beginnende metabole ontregeling.
Kenmerkend is dat deze afwijkingen zelden geïsoleerd voorkomen, maar wijzen op een samenhangende verstoring van de eerdergenoemde regulatiesystemen. Tegelijk blijft de bewustwording hiervan in de praktijk nog beperkt. Zowel het aandeel UPF als de impact op de metabole gezondheid wordt vaak onderschat. Juist daarin ligt een belangrijk aangrijpingspunt.
Praktisch begint dit bij het leren lezen van etiketten en het herkennen van UPF. Let daarbij op meerdere additieven zoals E-nummers, maltodextrine, siropen of geïsoleerde eiwitten. Koken met eenvoudige, verse, herkenbare ingrediënten met voldoende eiwitten, gezonde vetten en variatie uit plantaardige bronnen biedt een duidelijke metabole meerwaarde. Het verminderen van UPF en gemaksproducten vormt een haalbare stap. Het grijpt direct in op de onderliggende regulatiesystemen en kan op relatief korte termijn meetbare effecten hebben op insulinegevoeligheid, inflammatiemarkers en het lipidenprofiel. Kleine, gerichte aanpassingen in het voedingspatroon kunnen binnen enkele weken al zichtbaar effect hebben op glucose- en insulinerespons.
- Vellinga RE, van Bakel M, Biesbroek S, et al. Evaluation of foods, drinks and diets in the Netherlands according to the degree of processing for nutritional quality, environmental impact and food costs. BMC Public Health. 2022 May 3;22(1):877.
- Monteiro CA, Cannon G, Levy RB, et al. Ultra-processed foods: what they are and how to identify them. Public Health Nutr. 2019 Apr;22(5):936-941.
- Monteiro CA, Steele EM, Cannon G. Impact of Food Ultra-Processing on Cardiometabolic Health: Definitions, Evidence, and Implications for Dietary Guidance. J Am Heart Assoc. 2024 Nov 5;13(21):e035986.
- Sarda B, Kesse-Guyot E, Deschamps V, et al. Complementarity between the updated version of the front-of-pack nutrition label Nutri-Score and the food-processing NOVA classification. Public Health Nutr. 2024 Feb 1;27(1):e63.
- Kim Y, Cho Y, Kim JE, et al. Ultra-Processed Food Intake and Risk of Type 2 Diabetes Mellitus: A Dose-Response Meta-Analysis of Prospective Studies. Diabetes Metab J. 2025 Sep;49(5):1064-1074. Erratum in: Diabetes Metab J. 2026 Jan;50(1):211-215.
- Grinshpan LS, Eilat-Adar S, Ivancovsky-Wajcman D, et al. Ultra-processed food consumption and non-alcoholic fatty liver disease, metabolic syndrome and insulin resistance: a systematic review. JHEP Rep. 2023;6(1):100964.
- Salame C, Javaux G, Sellem L, et al. Food additive emulsifiers and the risk of type 2 diabetes: analysis of data from the NutriNet-Santé prospective cohort study. Lancet Diabetes Endocrinol. 2024 May;12(5):339-349.
- Rondinella D, Raoul PC, Valeriani E, et al. The Detrimental Impact of Ultra-Processed Foods on the Human Gut Microbiome and Gut Barrier. Nutrients. 2025 Feb 28;17(5):859.
- Panyod S, Wu WK, Chang CT, et al. Common dietary emulsifiers promote metabolic disorders and intestinal microbiota dysbiosis in mice. Commun Biol. 2024 Jun 20;7(1):749.
- Whelan K, Bancil AS, Lindsay JO, Chassaing Bet al.. Ultra-processed foods and food additives in gut health and disease. Nat Rev Gastroenterol Hepatol. 2024 Jun;21(6):406-427.
- Hamano S, Sawada M, Aihara M, et al. Ultra-processed foods cause weight gain and increased energy intake associated with reduced chewing frequency: A randomized, open-label, crossover study. Diabetes Obes Metab. 2024 Nov;26(11):5431-5443.
- Ulug E, Acikgoz Pinar A, Yildiz BO. Impact of ultra-processed foods on hedonic and homeostatic appetite regulation: A systematic review. Appetite. 2025 Sep 1;213:108139.
- Mendoza K, Smith-Warner SA, Rossato SL, et al. Ultra-processed foods and cardiovascular disease: analysis of three large US prospective cohorts and a systematic review and meta-analysis of prospective cohort studies. Lancet Reg Health Am. 2024 Sep 2;37:100859.
- Vitale M, Costabile G, Testa R, et al. Ultra-Processed Foods and Human Health: A Systematic Review and Meta-Analysis of Prospective Cohort Studies. Adv Nutr. 2024 Jan;15(1):100121.