In een recente review analyseren wetenschappers de resultaten van uiteenlopende onderzoeken om beter te begrijpen welke biologische mechanismen long COVID kunnen verklaren en wat dit betekent voor diagnose en behandeling.
De auteurs definiëren long COVID als symptomen die ten minste twee maanden aanhouden na een initiële SARS-CoV-2-infectie zonder andere duidelijke medische verklaring. Wereldwijd lijden naar schatting 65 miljoen mensen aan deze toestand, die diverse organen kan aantasten, waaronder het brein, hart, bloedvaten en immuunsysteem. Long COVID omvat mogelijk meerdere onderliggende processen die bijdragen aan aanhoudende klachten bij miljoenen patiënten wereldwijd. Ondanks de omvangrijke maatschappelijke impact bestaan er nog geen formeel goedgekeurde, op bewijs gebaseerde therapieën.
Onderliggende processen
De analyse brengt resultaten samen uit veel kleinere klinische studies en onderzoek naar werkingsmechanismen van behandelingen. Aanwezigheid van virusmateriaal in het lichaam en blijvende ontstekingsmarkers zoals interleukine-1β, interleukine-6 en TNF-α zijn belangrijke biomedische componenten. Vaak is er sprake van microstolsels door interactie tussen virale spike-eiwitten en fibrinogeen. Daarnaast spelen auto-immuunreacties, verstoringen van de darmmicrobiota en mitochondriale disfunctie een rol. Samen kunnen deze processen bijdragen aan vaatwanddisfunctie, cardiale en neuro-inflammatie, neuropathie van kleine zenuwvezels, ME/CVS-achtige vermoeidheid, veranderingen in menstruatiecycli, dysregulatie van de bloedsuikerspiegel en schade aan nier of lever.
Meer behandelopties
De publicatie schetst een breed palet aan behandelopties voor long COVID, zonder één vast therapeutisch pad te kiezen. Niet-medicamenteuze interventies, zoals gestructureerde revalidatie en geleide opbouw van inspanning, verbeteren de kwaliteit van leven bij milde klachten. Daarnaast verlaagde het vroeg inzetten van antivirale middelen in sommige groepen het risico op long COVID met circa 25%, terwijl combinaties van antivirale middelen gunstige effecten lieten zien bij risicopatiënten. Voor specifieke klachten onderzoeken artsen symptoomgerichte therapieën, waaronder lage doses naltrexon tegen vermoeidheid, aferese bij microstolsels en auto-antilichamen en het hergebruik van bestaande medicatie zoals bètablokkers en middelen tegen diabetes vanwege hun mogelijke effect op het zenuwstelsel, de stofwisseling en de cardiovasculaire gezondheid.
Ontsteking remmen
Interventies die ontsteking in een vroeg stadium proberen te temperen, vormen een actief onderzoeksgebied. Het toepassen van middelen als metformine binnen zeven dagen na infectie bleek volgens sommige studies het risico op long COVID tot circa 41% te reduceren. Andere benaderingen zoals inademen van dampen uit zwavelhoudende thermale bronnen en enzymatisch bewerkte zalmolie verlaagden CRP-waarden en herstelden deels de longbarrière. Meer geavanceerde middelen zoals Janus-kinase (JAK)-remmers en mechanistic Target Of Rapamycin (mTOR)-remmers zijn nu onderdeel van multicenter onderzoeken om systemische ontstekingsroutes te onderbreken.
Voedingssupplementen
Ook het moduleren van de darmmicrobiota is een potentiële benadering. Synbiotica verminderden symptomen in een follow-up van zes maanden. Daarnaast kunnen supplementen met creatine-glucose, vitamines (hoge doseringen van de B-vitamines, vitamine C, D en E), mineralen (magnesium, zink en selenium) en co-enzym Q10 mensen met post-COVID helpen. Ze kunnen vermoeidheid verminderen, angstklachten verlichten en concentratie en geheugen verbeteren. Supplementen zoals N-acetylcysteïne laten in kleine, nog niet goed gecontroleerde studies positieve effecten zien, mogelijk doordat ze de energiehuishouding van de cellen ondersteunen. In een vroege onderzoeksfase liet ook een combinatie van vijf aminozuren en N-acetylcysteïne enige verbetering zien. Plantaardige supplementen met quercetine, curcumine en piperine verminderden vermoeidheid in vergelijking met een placebo.
Conclusie
Hoewel veel van deze behandelopties nog niet volledig evidence based zijn, ondersteunt deze review een benadering die gericht is op meerdere systemen. De auteurs benadrukken de urgentie voor goed opgezette, grootschalige, gerandomiseerde studies. Tot dergelijke bewijzen beschikbaar zijn, pleiten zij voor een flexibele, multidisciplinaire aanpak waarin antivirale middelen, systematische revalidatie, gerichte antitrombotische en ontstekingsremmende behandelingen, ondersteuning van de darmmicrobiota en gepersonaliseerde zorg een rol spelen bij het managen van long COVID’s complexe, multisysteemdynamiek.