Twee belangrijke taken van de lever zijn de productie van gal voor een goede spijsvertering en afvoer van toxines en het onschadelijk maken van toxische stoffen die we binnenkrijgen of die in het lichaam worden gevormd. In de zorgpraktijk worden leverondersteunende kruiden ingezet bij uiteenlopende klachten, zoals vermoeidheid, hormonale disbalans, spijsverteringsproblemen, huidklachten en metabole verstoringen. Daarbij ligt de focus meestal op het beschermen of ‘ontgiften’ van de lever, bijvoorbeeld met kruiden als mariadistel (Silybum marianum), kurkuma (Curcuma longa) of antioxidatieve plantenextracten. Opvallend genoeg blijft de galfunctie dan vaak onderbelicht, terwijl lever en gal fysiologisch onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Bij de inzet van leverondersteunende kruiden, zonder aandacht voor een goede galstroom, kan er een situatie ontstaan waarbij cliënten juist meer klachten ontwikkelen, zoals misselijkheid, opgeblazen gevoel, obstipatie of vetintolerantie.1 Deze reacties worden soms geïnterpreteerd als ‘ontgiftingsverschijnselen’. Ze zouden echter ook een belangrijke aanwijzing kunnen zijn voor onvoldoende galafvoer.1,2 De aanvullende inzet van galondersteunende kruiden, zoals choleretica en cholagoge kruiden, zorgt voor een meer volledige leverondersteuning. Dit artikel tracht deze twee concepten, namelijk choleretische/cholagoge kruiden en leverbeschermende kruiden, te integreren tot één hepato-biliair concept. Daarbij worden zowel traditionele fytotherapeutische kennis als meer recente fysiologische en farmacologische kennis meegenomen.
De lever-gal-as
De lever is een metabool knooppunt met honderden functies en speelt een rol in de koolhydraat-, vet- en eiwitstofwisseling, hormoonafbraak, detoxificatie en galproductie. Gal wordt continu gevormd door hepatocyten en bestaat uit galzouten, fosfolipiden, cholesterol, bilirubine, afvalstoffen, water en elektrolyten. De gal wordt via de galwegen opgeslagen in de galblaas en bij de inname van vet afgegeven aan het duodenum. Belangrijk is dat gal niet alleen een spijsverteringsvloeistof is, maar ook een primaire uitscheidingsroute voor bilirubine (afbraakproduct van hemoglobine), vetoplosbare toxinen, sommige medicijnen en hun metabolieten en hormonale afbraakproducten, zoals oestrogenen en cortisol. Vanuit fysiologisch oogpunt is galafvoer dus onderdeel van de leverdetoxificatie en wordt soms ook wel de fase III-detoxificatie genoemd. Wanneer galproductie of galafgifte stagneert, blijven deze stoffen langer circuleren in het lichaam, wat kan leiden tot functionele leverbelasting, zelfs bij normale leverenzymwaarden. Daarom is het zinvol om in de behandeling de lever en gal te benaderen als één hepato-biliair systeem, waarin bescherming, productie en doorstroming elkaar beïnvloeden en ondersteunen.
Leverbeschermende kruiden
Leverbeschermende kruiden richten zich op het behoud en herstel van hepatocyten. Hun werking is meestal niet gericht op stimulatie, maar op bescherming, stabilisatie en regeneratie. Kruiden zoals mariadistel en kurkuma kunnen onder meer oxidatieve stress verminderen, hepatocytenmembranen stabiliseren, mitochondriale energieproductie ondersteunen, ontstekingsroutes remmen (NFκB, COX) en fase I- en fase II-detoxificatie routes beïnvloeden.2,3 Hoewel deze kruiden belangrijk zijn bij leverbelasting, is een gevolg van hun werking dat detoxificatieprocessen toenemen. Dit betekent dat ook de uitscheidingscapaciteit, zoals via gal, goed moet functioneren.
Choleretische kruiden
Choleretische kruiden stimuleren de productie van gal door de lever. Ze verhogen het volume en soms de samenstelling van gal, waardoor de uitscheidingscapaciteit van het hepato-biliaire systeem toeneemt. Galzuren fungeren daarnaast als signaalmoleculen die stofwisselingsprocessen beïnvloeden via receptoren, zoals FXR (farnesoid X-receptor) en TGR5. Hierdoor hebben ze invloed op de glucose- en vetstofwisseling, ontstekingsregulatie en de samenstelling van het darmmicrobioom. Choleretische kruiden ondersteunen dus niet alleen de spijsvertering, maar ook systemische metabole processen. Op biochemisch niveau verhogen choleretische kruiden de expressie en activiteit van transporters voor galzouten en organische anionen in hepatocyten en kunnen zij de synthese en uitscheiding van galzuren stimuleren.
Artisjokblad
Artisjokblad (Cynara scolymus) is een klassiek cholereticum. In een gerandomiseerd, placebogecontroleerd cross‑overonderzoek leidde intraduodenale toediening van een gestandaardiseerd extract tot een stijging van de intraduodenale galstroom tot circa 150% van de uitgangswaarde binnen zestig minuten, zonder acute bijwerkingen.4 In diermodellen verhoogt artisjokbladextract de galstroom en de uitscheiding van lipiden en galzuren, wat aansluit bij het traditionele gebruik bij dyspepsie en lichte lever‑ en galwegklachten. De choleretische en cholagoge activiteit van artisjok wordt toegeschreven aan fenolzuren, zoals cynarine en mono‑ en di‑caffeoylquininezuren, in combinatie met andere fenolische componenten. Naast effecten op de galstroom is er bewijs voor leverbeschermende eigenschappen in preklinische modellen. Onderzoekers vonden een verminderde verstoring van de leverfunctie en histologische schade na toxische belasting.5-7
Paardenbloem
Paardenbloem (Taraxacum officinale) wordt traditioneel ingezet als mild choleretisch en cholagoog kruid. De wortel bevat bitterstoffen, triterpenen en fenolzuren die vermoedelijk de galproductie en intestinale motiliteit verhogen.3,8,9
Overige
Andere vaak genoemde choleretische kruiden zijn onder meer berberine‑bevattende planten zoals Berberis vulgaris, evenals bittere tonica zoals gele gentiaan (Gentiana lutea) en verschillende bittere combinaties die vooral via hun bittere smaakreceptoren de gal‑ en maagsapsecretie stimuleren.1-3 De meeste van deze kruiden worden echter hoofdzakelijk in traditionele bronnen beschreven. Er zijn geen grote RCT’s beschikbaar en wetenschappelijke onderbouwing bestaat uit farmacologische studies en kleinere klinische observaties.
Cholagoge kruiden
Waar choleretica de productie van gal stimuleren, zorgen cholagoge kruiden voor de afgifte van gal uit de galblaas richting de darm. Dit gebeurt door stimulatie van galblaascontractie en ontspanning van de sfincter van Oddi. Een verminderde galstroom kan leiden tot een opgeblazen gevoel na vetrijke maaltijden, misselijkheid, obstipatie, vetintolerantie en druk of ongemak in de rechter bovenbuik. Cholagoge kruiden activeren vaak bitterreceptoren (TAS2R), wat via vagale reflexen leidt tot afgifte van cholecystokinine (CCK). Hierdoor trekt de galblaas samen en komt gal beschikbaar voor de vetvertering en toxineuitscheiding. Hun klinische waarde lijkt vooral te liggen bij dyspeptische en galwegklachten, zoals dyskinesie van de galwegen, zonder structurele obstructie. Bij galstenen, obstructieve icterus en acute cholecystitis is juist terughoudendheid geboden met het inzetten van de middelen.
Stinkende gouwe (Chelidonium majus) wordt in meerdere tradities gebruikt bij lever‑ en galblaasklachten en heeft in farmacologische studies een duidelijke, zeer sterke cholagoge werking laten zien. Met name het alkaloïde chelidonine stimuleert de galstroom.3,7,10 Andere cholagoge kruiden zijn zwarte rettich (Raphanus sativus niger) en boldo (Peumus boldus).
In de praktijk gaan choleretische en cholagoge effecten vaak samen op. Sommige planten hebben echter een meer uitgesproken effect op een van de twee werkingsmechanismen. Veel choleretica en cholagoga zijn bitter smakende kruiden en deze bitterstoffen stimuleren bovendien bitterreceptoren in mond en darm. Daardoor worden de secretie van spijsverteringssappen (gal, pancreasenzymen, maagzuur) en de peristaltiek bevorderd, wat de spijsvertering verder ondersteunt.
Synergisme en traditionele toepassing
In de traditionele kruidengeneeskunde worden choleretische en cholagoge kruiden vaak gecombineerd met andere spijsverteringsondersteunende therapieën, zoals bitterstoffen voor de maaltijd en optimalisatie van de darmmicrobiota. Op deze manier wordt de enterohepatische cyclus van galzuren en darmmotiliteit verbeterd en recirculatie van gal (en de daarin voorkomende toxines) zo veel mogelijk voorkomen. Traditionele combinaties bestaan uit formules met een spasmolyticum en een carminativum bij ‘lever‑ en galzwakte’, dyspepsie, darmkrampen en winderigheid. Combinatie met een ontspannend en gasdrijvend kruid verbetert de tolerantie en voorkomt mogelijke bijwerkingen, zoals krampen en misselijkheid.1-3
Het spasmolyticum in dergelijke formules is vaak afkomstig uit aromatische lipbloemigen of schermbloemigen, zoals pepermunt (Mentha piperita), kamille (Matricaria chamomilla) of melisse (Melissa officinalis). In de moderne fytotherapie wordt vooral pepermuntolie ingezet als spasmolyticum bij milde gastro‑intestinale klachten. Carminativa, zoals karwij (Carum carvi), venkel (Foeniculum vulgare) en anijs (Pimpinella anisum), worden toegevoegd om gasvorming te verminderen, de peristaltiek te normaliseren en het gevoel van opgeblazenheid te verlichten. In traditionele recepten worden deze vaak in relatief hogere fractie gedoseerd dan het bitter‑galmiddel zelf om het effect van het cholereticum wat te temperen en de subjectieve verdraagbaarheid te verhogen. Dit sluit aan bij de gedachte dat een combinatie van galstimulatie (voor vet‑ en afvalverwerking) met een zachte ontspanning van de darmwand en gasafvoer alle spijsverteringsklachten beter adresseert dan een enkelvoudig galmiddel.
De traditionele combinaties dienen op deze manier drie doelen, namelijk het galmiddel ‘opent’ en activeert de lever‑ en galfunctie, het spasmolyticum voorkomt dat deze stimulatie zich vertaalt in pijnlijke kramp en het carminativum begeleidt het toegenomen aanbod van gal en spijsverteringssappen door de darm zodat gas, fermentatie en drukgevoel worden verminderd.1,3
Hoewel deze toepassing goed is beschreven in fytotherapeutische handboeken, is het aantal klinische trials waarin precies zo’n klassieke combinatie wordt getest, beperkt. Wel zijn moderne onderzoeken naar combinaties zoals pepermunt‑/karwijolie bij functionele maag‑darmklachten beschikbaar, die laten zien dat deze complexmiddelen symptomen als krampen, opgeblazen gevoel en pijn significant kunnen verminderen.11,12
Veiligheid en contra-indicaties
Artisjokbladextract is in humane studies bij dyspepsie goed verdragen. In een cross‑overstudie met intraduodenale toediening werden geen relevante veranderingen in laboratoriumparameters of acute bijwerkingen gezien.4 Wel wordt in monografieën meestal voorzichtigheid geadviseerd bij bestaande galwegobstructie, symptomatische galstenen en leverinsufficiëntie, omdat een toegenomen galstroom pijn of complicaties kan uitlokken. Chelidonium majus verdient meer voorzichtigheid. Niet alleen vanwege zijn sterkere werking op de gal, maar ook vanwege aanwijzingen voor potentiële hepatotoxiciteit bij hooggedoseerde of langdurige inname, met leverenzymstijgingen en hepatitisachtige beelden die verdwijnen na staken van het kruid.10 Gebruik wordt daarom ontraden bij bestaande leverziekte, tijdens zwangerschap en lactatie en vereist monitoring van leverfuncties wanneer het langdurig wordt ingezet.
Algemeen geldt dat veel leverkruiden zijn gecontra‑indiceerd bij acute leverinsufficiëntie, obstructieve icterus, acute cholecystitis en pijnlijke, mogelijk obstructieve galstenen. Een verhoogde galaanmaak en stimulatie van galblaascontractie en galstroom kan mechanische obstructies dan immers verergeren. Ook bij patiënten met ernstige cholestatische aandoeningen of recente galwegoperaties is terughoudendheid aanbevolen, aangezien veranderde galstroom darmklachten kan uitlokken. Bij relatief gezonde personen kunnen cholagoge en choleretische kruiden echter zeer goed worden ingezet bij mild gastro‑intestinaal ongemak, zoals krampen, losse ontlasting of misselijkheid.
Klinische inzetbaarheid
In de klinische praktijk lijken cholagoge en choleretische kruiden het meest zinvol bij functionele dyspepsie, een opgeblazen gevoel en vage klachten in het rechter bovenkwadrant van de buik, in afwezigheid van aanwijzingen voor galwegobstructie of inflammatoire hepatobiliaire pathologie.
Artisjokbladextract heeft in meerdere klinische studies een symptoomreductie laten zien bij dyspepsie. Bij patiënten met metabool syndroom en verstoorde bloedvetten kan tevens gebruik van choleretische kruiden worden overwogen om de galzuurexcretie van cholesterol te bevorderen en de vetstofwisseling te verbeteren. In de context van galstenen spreken traditionele bronnen over anti‑cholelithiasische planten als potentiële middelen om galstase te verminderen en de galblaasmotiliteit te verbeteren.1 Deze strategie is interessant ter preventie van galstenen, naast voedingsadvies, bij mensen met een verhoogd risico op galstenen (mensen met overgewicht, vrouwen in de vruchtbare leeftijd). Bij bestaande galstenen moeten leverkruiden worden vermeden of alleen worden ingezet onder begeleiding van mensen die hier ruime ervaring mee hebben, om volledige galwegblokkade te voorkomen. Bij de bepaling hiervan kan bloedonderzoek worden ingezet, zoals het meten van ALAT, ASAT, AF, GGT en bilirubine. Bij afwijkende waarden of alarmsymptomen, zoals koliekpijn, icterus, koorts of onverklaard gewichtsverlies, is verwijzing naar de huisarts en het vermijden van sterke cholagoge stimuli belangrijk.
Conclusie
Leverbeschermende kruiden en choleretische/cholagoge kruiden zijn idealiter complementaire onderdelen van een fytotherapeutische behandeling. Bescherming zonder doorstroming leidt tot opstapeling en stimulatie zonder bescherming kan overbelasting veroorzaken. Een effectieve fytotherapeutische strategie erkent deze samenhang en stemt interventies af op zowel de structurele gezondheid van hepatocyten als de functionele doorstroming van gal.
- Weiss RF. Weiss’s Herbal Medicine. Thieme; 2001.
- Bone K & Mills S. Principles and Practice of Phytotherapy: Modern Herbal Medicine. Elsevier Health Sciences; 2012.
- Verhelst, G. Groot handboek geneeskrachtige planten Mannavita; 2024.
- Kirchhoff R, Beckers C, Kirchhoff GM, et al. Increase in choleresis by means of artichoke extract. Phytomedicine Int J Phytother Phytopharm. 1994 Sept;1(2):107–15.
- Saénz Rodriguez T, García Giménez D, de la Puerta Vázquez R. Choleretic activity and biliary elimination of lipids and bile acids induced by an artichoke leaf extract in rats. Phytomedicine Int J Phytother Phytopharm. 2002 Dec;9(8):687–93.
- Speroni E, Cervellati R, Govoni P, et al. Efficacy of different Cynara scolymus preparations on liver complaints. J Ethnopharmacol. 2003 June;86(2–3):203–11.
- Spiridonov N. Mechanisms of Action of Herbal Cholagogues. Med Aromat Plants. 2012 June 16;1.
- Schütz K, Carle R, Schieber A. Taraxacum—A review on its phytochemical and pharmacological profile. J Ethnopharmacol. 2006 Oct 11;107(3):313–23.
- Herrera Vielma F, Quiñones San Martin M, Muñoz-Carrasco N, et al. The Role of Dandelion (Taraxacum officinale) in Liver Health and Hepatoprotective Properties. Pharmaceuticals. 2025 July;18(7):990.
- Zielińska S, Jezierska-Domaradzka A, Wójciak-Kosior M, et al. Greater Celandine’s Ups and Downs−21 Centuries of Medicinal Uses of Chelidonium majus From the Viewpoint of Today’s Pharmacology. Front Pharmacol. 2018 Apr11:9:299.
- Rösch W, Liebregts T, Gundermann KJ, et al. Phytotherapy for functional dyspepsia: A review of the clinical evidence for the herbal preparation STW 5. Phytomedicine. 2006 Nov 24;13:114–21.
- Annaházi A, Bauer R, Efferth T, et al. A Review of the Mechanisms of Action of the Herbal Medicine, STW 5-II, Underlying Its Efficacy in Disorders of Gut–Brain Interaction. Neurogastroenterol Motil. 2025 Apr 24:e70047.